
Er bestaat een select gezelschap van deepsky objecten waarvan de bijnaam zo perfect is, zo onmiddellijk herkenbaar en zo cultureel verankerd, dat ze de officiële catalogusaanduiding volledig heeft overschaduwd. Niemand zegt "laten we vanavond NGC 224 fotograferen", iedereen zegt Andromeda. Niemand spreekt over IC 1805 zonder er vrijwel meteen "Hartnevel" aan toe te voegen. En niemand die de Pacman Nevel kent, noemt haar NGC 281. De naam Pacman zegt alles en vraagt geen uitleg. Een generatie die opgroeide met de gele arcade-held van Namco herkent de vorm onmiddellijk op elke astrofoto: een grote, ronde emissinevel met een donkere inham aan één zijde die de opengesperrede mond vormt, omgeven door het donkere sterrenveld van Cassiopeia als de zwarte achtergrond van het klassieke spel.

Niet alles aan de hemel schittert. Niet alles vraagt om aandacht met licht, met kleur, met de spectaculaire gloed van geïoniseerd gas of het fonkelen van duizenden sterren in een compacte hoop. Sommige objecten doen het anders. Sommige objecten fluisteren in plaats van roepen, en wie de moeite neemt om te luisteren, wordt beloond met een ervaring die dieper gaat dan welke gloeiende emissienevel ook. Barnard 150 is zo'n object. Een donkere nevel in Cepheus, onzichtbaar in het gewone licht, aanwezig uitsluitend als een afwezigheid, een zone waar de sterren verdwijnen, waar de melkweggloed wordt geblokkeerd door een dichte wolk van moleculair gas en stof die er al was voordat de eerste mens naar de hemel keek.

Zomeravonden hebben een eigen magie voor de amateur-astronoom. Wanneer de melkweg van Cygnus hoog aan de hemel staat en zijn rijke sterrenvelden de nacht doordrenken met een zachte, diffuse gloed, wanneer de lucht warm genoeg is om urenlang buiten te staan zonder te rillen en de transparantie goed genoeg is om ook de flauwste nevelstructuren boven het ruisniveau uit te tillen, dan is dit het seizoen van de grote Cygnus-nevels. De Sluiernevel, de Crescent, de Pacman, de Noord-Amerika en de Pelikaannevel. Namen die elke astrofotograaf kent, objecten die in elke catalogus staan en op elke shortlist verschijnen. Maar Cygnus verbergt meer dan zijn beroemde paradepaardje.

Het was 1884. Edward Emerson Barnard, de man die later Barnards Ster zou ontdekken, die Jupiter een vijfde maan zou geven en die honderden donkere nevels zou catalogiseren, richtte zijn fotografische platen op het sterrengebied van Perseus. Hij was op zoek naar iets, hoewel hij zelf waarschijnlijk niet precies wist waarnaar. Barnard was het soort astronoom dat de hemel systematisch en zonder vooropgezet plan verkende, in de overtuiging dat de hemel altijd meer te bieden had dan men verwachtte.En de hemel gaf hem gelijk. Op de belichte plaat verscheen een uitgestrekte, langgerekte nevel, groter dan bijna alles wat hij tot dan toe had gefotografeerd, uitgesproken van vorm, onmiskenbaar aanwezig.

De nachtelijke hemel heeft een merkwaardig vermogen om je te verrassen op het moment dat je het minst verwacht. Je bent op zoek naar iets anders, je stelsel staat al ingevoerd in het goto-systeem, de camera is al gekalibreerd, en dan, terwijl je even door de zoeker kijkt of een testopname bekijkt, zie je het. Een groot, uitgestrekt sterrenstelsel dat de vorm heeft van een walvis. Niet vaag, niet met wat fantasie, maar echt, onmiskenbaar, met een buik en een rug en een staartvin die aan een kant omhoog krult alsof het dier zich klaar maakt om onder te duiken. NGC 463, ook bekend als de 'Whale Nebula' (Walvismelkwegstelsel) is een van die objecten waarbij de bijnaam geen marketingtruc is maar een pure beschrijving van de werkelijkheid.

Er zijn momenten in de astronomie waarop een object je letterlijk de adem beneemt, niet door zijn complexiteit, niet door zijn wetenschappelijke betekenis, maar door de pure, ongecompliceerde schoonheid van wat je ziet. NGC 4565, het Naaldsterrenstelsel, is zo'n object. Op een goede astrofoto of zelfs door een matige telescoop onder donkere luchten is het beeld onmiddellijk en onvergetelijk: een haarfijn, randsgewijs weergegeven spiraalsterrenstelsel dat als een kosmische naald of mes door een donker sterrenveld snijdt, met een uitpuilende centrale bol die het stelsel een driedimensionale diepte geeft die de verbeelding onmiddellijk prikkelt.

Er zijn deep-sky objecten die je versteld doen staan door hun schoonheid. Er zijn objecten die je versteld doen staan door hun omvang. En er zijn objecten die je versteld doen staan door het verhaal dat ze vertellen, een verhaal van catastrofe, van kosmisch geweld, van een ster die explodeerde en in haar dood de ruimte rondom haar voor altijd veranderde. IC 443, de Jellyfish Nebula (Kwallennevel), behoort tot die laatste categorie. Op een goede narrowband-astrofoto is het beeld onmiddellijk herkenbaar: een grote, bolvormige structuur van gloeiende filamenten en bogen, dooraderd met draadvormige slierten en compacte knobbels, die samen de suggestie wekken van een kwal die door een donkere oceaan zweeft.

Er zijn deep-sky objecten die indrukken nalaten door hun helderheid, door hun afmetingen of door hun wetenschappelijke betekenis. En dan zijn er objecten die een indruk nalaten door iets wat moeilijker te benoemen is, een combinatie van vorm, kleur, structuur en context die samen iets creëert wat de verbeelding onmiddellijk grijpt en niet meer loslaat. NGC 7380, de Wizard Nebula (Toveraarsnevel), behoort tot die categorie. Op 7.200 lichtjaar afstand, in het hart van de Perseusarm, spreidt een mysterieuze 'tovenaar' zijn kosmische mantel.

Er zijn deep-sky objecten die je moet opzoeken in een steratlas, waarvan je de coördinaten moet invoeren in een goto-montuur en waarbij je na het vinden nog altijd twijfelt of je wel het juiste object in beeld hebt. En dan zijn er objecten die je onmiddellijk herkent. Die je met één blik grijpen en niet meer loslaten. IC 2177, de Zeemeeuwnevel, behoort zonder twijfel tot die tweede categorie. Op een goede astrofoto, en zelfs al op een bescheiden opname met een kit-lens en een modified DSLR, zie je het meteen: een grote, uitgespreide nevel met de onmiskenbare vorm van een zeemeeuw in vlucht.

Als er één deep-sky object bestaat waarvan de bijnaam perfect past bij wat je door een telescoop of op een astrofoto ziet, dan is het wel NGC 2359. De Helm van Thor (Thors' Helmet), vernoemd naar de Noorse god van de donder, is een van de meest fotogenieke en wetenschappelijk fascinerende emissinevels aan de nachtelijke hemel. Met zijn karakteristieke bolvormige "helm" geflankeerd door twee uitgestrekte "vleugels" of "hoorns" lijkt het alsof de hemel zelf een wapenrusting draagt. Maar achter die mythologische schoonheid schuilt een verhaal van kosmisch geweld, extreme sterrenfysica en onvermijdelijke ondergang.

De Nederlandse astronoom Christiaan Huygens ontdekt de Saturnusmaan Titan met behulp van een telescoop die zijn broer Constantijn had gebouwd. Met een diameter van 5 151 kilometer is deze maan groter dan de planeet Mercurius. Titan is de enige maan in het zonnestelsel met een dichte atmosfeer en tot 1980 werd, vanwege deze dichte atmosfeer die een deel van de maan zelf leek, aangenomen dat Titan de grootste maan in ons zonnestelsel was. Van alle manen in ons zonnestelsel is Titan wellicht de meest interessante voor wetenschappers aangezien men al vele jaren vermoed dat er zeeën en rivieren voorkomen op deze maan en dat de atmosfeer van Titan veel gelijkenissen vertoont met de atmosfeer van de aarde tijdens het ontstaan van het leven. Foto: NASA
Deze website wordt aan onze bezoekers blijvend gratis aangeboden maar om de hoge kosten om de site online te houden te drukken moeten we wel het nodige budget kunnen verzamelen. Ook jij kunt uw bijdrage leveren door ons te ondersteunen met uw donatie zodat we u blijvend kunnen voorzien van het laatste nieuws en artikelen boordevol informatie.